O.L.V. van Altijddurende Bijstand
Kapel
In 1868 is in de Onze Lieve Vrouwekerk aan de Keizersgracht te Amsterdam – bij
gelegenheid van de opening van de meimaand – een authentieke kopie van de icoon van
O.L.V. van Altijddurende Bijstand tegen de zuidelijke muur ter hoogte van de tegenwoordige
kapel bevestigd. In 1872 werd de beeltenis van Moeder en Kind plechtig gekroond. In 1886
werd besloten om voor de afbeelding van Maria van Altijddurende Bijstand een kapel te
bouwen; de muur werd doorgebroken en een jaar later was de devotiekapel klaar. Boven het
altaar (aan de onderkant van het glas-in-lood raam) zien we een gebeeldhouwde engel. Deze
in zittende houding weergegeven engel houdt een schild vast met de jaartallen 1787 - 1887.
De jaartallen verwijzen naar de wijding van het altaar en de inzegening van de kapel (1887),
hetgeen geschiedde ter gelegenheid van het eerste eeuwfeest van St. Alfonsus (1787). Aan
weerszijden van deze engel staan de beelden van twee bekende Mariavereerders: de H. Alfonsus (links) en de H. Ignatius (rechts).
Altaar
Het altaar van O.L.V. van Altijddurende Bijstand staat in een nis. Het houten antependium is
in drie panelen verdeeld, waarop musicerende en zingende engelen staan weergegeven. De
engelen in het middelste paneel dragen een banderol met de tekst: Laudate ("Looft"). Aan de
rechterkant op het antependium is een goudkleurige banderol geschilderd met de tekst: H.
Maria, Uitdeelster aller genade. Aan de linkerkant van het antependium lezen we: H. Maria,
hoop der hopelozen. Links zijn Ester en Ahasveros geschilderd. Nadat Ester ter ore was
gekomen dat men haar man, koning Ahasveros, had overgehaald om een edict uit te vaardigen
dat alle Joden moesten worden gedood, ging zij naar haar man toe om voor haar volk te
pleiten. Ester in haar rol van voorspreekster wordt opgevat als voorafbeelding van Maria.
Ester’s verheffing tot koningin geldt sinds de middeleeuwen als symbool van de kroning van
Maria. In het middelste paneel zien we de kroning van Maria in beeld gebracht. In het rechter
deel zijn Batseba en Salomo weergegeven. Ook Batseba zou haar zoon Salomo een gunst
vragen (1 Kon. 2,19-20). Salomo laat dan aan zijn rechterhand een troon voor haar plaatsen.
Zoals deze twee vrouwen door koningen verheven werden en de door haar afgesmeekte
gunsten verkregen, zo werd Maria door Christus tot vorstin verheven. Geen gunst wordt haar
geweigerd. Onder deze drie scènes staat de tekst: Maria Virgo Perpetua intercede pro nobis
(Maria, eeuwige Maagd, wees onze voorspraak). De belangrijkste plaats in dit altaar wordt
echter ingenomen door een kopie van de miraculeuze 'Madonna del Perpetuo Soccorso' uit de
St.Alfonsus kerk op de Esquilyn te Rome.
Icoon
Onze kopie van de miraculeuse 'Madonna del Perpetuo Soccorso': Onze Lieve Vrouw van
Altijddurende Bijstand, uit de St.Alfonsus kerk op de Esquilyn te Rome behoort tot het type
van de Hodigitria. Maria wordt en face weergegeven met op haar linkerarm het Christuskind,
wiens handen ze vasthoudt, terwijl ze tegelijkertijd wijst naar haar kind (Hodigitria =
wegwijzende). Zowel de Moeder Gods als Jezus Christus zijn gekroond. Aan weerszijden zijn
de beide aartsengelen Michaël en Gabriël afgebeeld, die met bedekte handen (een teken van
eerbied) de lijdenswerktuigen aan Moeder en Kind voorhouden. De lijdenswerktuigen
verwijzen naar Jezus als de Verlosser. Maria is Medeverlosser, want door haar moederschap
werd de verlossing mogelijk gemaakt. De ineengeslagen handen van Moeder en Kind duiden
op hun samenwerking in het verlossingswerk. Door het lijden van haar zoon werd Maria een
Moeder van Smarten. In Rusland wordt dezelfde icoon dan ook vereerd onder de titel van
Strasdnaia (de lijdende). Maria wendt haar blik niet naar haar kind, maar naar de mensen! Zij
geldt immers als de belangrijkste voorspreekster voor de mensen en zij is voor de gelovigen
als een Moeder van Altijddurende Bijstand. Boven de icoon van O.L.V. van Altijddurende
Bijstand zijn temidden van een rijk versierde spitsboog God de Vader en de H. Geest geschilderd. Samen met Christus (van de icoon) wordt hier dan de Drie-eenheid weergegeven;
Maria is dan Sedes Sapientiae (Zetel der Wijsheid ). Aan weerszijden van de Drie-eenheid
zijn wierook offerende en biddende engelen geschilderd; twee engelen dragen een lelietak als
verwijzing naar Maria's zuiverheid. Omgeven door een stralenkrans prijken de bekroonde
letters S.M.V. (Sancta Maria Virgo). Rondom het altaar wordt op tien koperen platen de hele
voorgeschiedenis van de icoon uitgebeeld.
Geschiedenis van de icoon
De geschiedenis begint linksboven aan de buitenkant van de kapel met: De overbrenging van
O.L.V. van Altijddurende Bijstand van het eiland Kreta, naar Rome, in het jaar 1480. Een
Kretensisch koopman verliet dit eiland met enige bekenden om zo aan de invallen van de
Turken te ontkomen. Nauwelijks waren ze scheep gegaan of een zware storm brak los en de
schepelingen waanden zich verloren. De koopman riep nu [wijzend op zijn geliefde icoon]:"
Vreest niet, God wil dat wij behouden te Rome aankomen, want het schip welk ons vervoert,
kan niet vergaan." En zie, de storm bedaarde en een gunstige wind deed het schip eerder dan
men verwachten zou, de Italiaanse havens bereiken.
Op de koperen plaat eronder wordt het verhaal voortgezet. Uit dankbaarheid voor de redding
wilde de koopman de icoon in een van de kerken te Rome in het openbaar laten vereren, maar
een ernstige ziekte belette hem dit plan uit te voeren. De stervende koopman overhandigt zijn
grootsten schat aan zijnen vriend. De koopman zeide: "Zorg dat deze heilige beeltenis in eene
van Roomes kerken ter openbare vereering uitgesteld worde." De vriend liet zich echter door
zijn vrouw overhalen om de icoon zelf te houden. Driemaal verscheen Maria om de vriend te
gebieden haar beeltenis in een van de kerken van Rome te plaatsen ter openbare verering;
echter zonder resultaat. De vierde keer zei Maria: "Ik zal niet eerder uw huis verlaten,
vooraleer gij zelf daaruit verwijderd zijt. Weinige dagen later stierf hij.
In de kapel, links boven de deur wordt de geschiedenis vervolgd met de verschijning van
Maria van Altijddurende Bijstand aan het dochtertje van de koopman. Maria zegt tegen het
kind, dat zij vereerd wil worden in een der kerken van Rome. De moeder wil op dit verzoek
ingaan, maar een vriendin drijft de spot met de verschijning. Onder hevige stuiptrekkingen
valt de vriendin echter op de grond. Pas toen ze haar misstap inzag en de wonderbare icoon
aanraakte, genas ze. Onder deze afbeelding lezen we: Tweede verschijning van O.L.V. van
Altijddurende Bijstand aan het dochtertje van den koopmans vriend. Onze Lieve Vrouw van
Altijddurende Bijstand zeide: " ik wil geplaatst worden tusschen mijne geliefde
kerk van Maria
de Meerdere en die van mijnen Zoon Sint Jan van Lateranen".
Links van het altaar zien we hoe de icoon onder een baldakijn in processie door de straten van
Rome rondgedragen wordt. Processie naar St. Matteüskerk en genezing van den lammen
arm eener vrouw den 27 maart 1499. En door de aanraking der Heilige beeltenis van Onze
Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand voelde zij haren lammen arm op hetzelfde oogenblik
genezen. Hieronder wordt de verering uitgebeeld, zoals uit het onderschrift blijkt: Vereering
van O.L.V. van Altijddurende Bijstand in de St.Mathaeus' kerk 1499. Het verhaal der
wonderen welke voor de H. Beeltenis plaats hadden, deed het getal der vrome vereerders van
Jezus' Moeder en het groot vertrouwen op hare machtige voorspraak dagelijks aangroeien.
Aan de rechterkant van het altaar wordt de geschiedenis voortgezet. Onder invloed van de
Franse revolutie werden de paters Augustijnen uit de Matteüskerk verdreven; uiteindelijk
zouden ze in de O.L.V. van Posterula terechtkomen. De inmiddels bijna in vergetelheid
geraakte ikoon (1798 - 1865) was hen daarheen gevolgd. Met de dood van de meeste van deze
kloosterlingen verdween ook de herinnering aan het bestaan van de miraculeuze icoon. Rechts
boven zien we hoe de enig overgebleven Augustijn de misdienaar Michael Marchi (die later
Redemptorist zou worden) op de icoon attent maakt. Broeder Orsetti toont aan Michael
Marchi de schilderij van O.L.V. van Altijddurende Bijstand -1850- Broeder Orsetti
zeide:"Hebt gij mij wel verstaan, Marchi? O wat mirakelen zijn er door Onze Lieve Vrouw
van Altijddurende Bijstand gedaan! De jeugdige Marchi werd in 1855 aangenomen in het
nieuwe klooster dat de Redemptoristen juist op die plaats gebouwd hadden waar vroeger de
Matteüskerk gestaan had. Toen er in verband met een onderzoek naar oorkonden van de oude
Matteüskerk sprake was van een bijzondere icoon van Maria, herinnerde Marchi zich weer de
woorden van broeder Orsetti. Hij vertelde de andere kloosterlingen over hetgeen hij gehoord
had.
Pater Nicolaus Mauron, Generale Overste van de Redemptoristen, begaf zich naar de paus om
te vragen of O.L.V. van Altijddurende Bijstand vereerd mocht worden op dezelfde plaats,
waar zij 300 jaar lang zovele wonderen verricht had. Het onderschrift onder de beeltenis luidt:
Zijne Heiligheid Pius IX geeft audiëntie aan de Hoogwaardige Algemeene Overste der
Redemptoristen op den 11 December 1865. Met voorbijgaan van alle formaliteiten schreef
Z.H.: De kardinaal Prefekt der Propaganda is gelast de Overste van Posterula bekend te
maken dat het onze wil is, dat de schilderij waarvan in dit smeekschrift wordt gesproken,
terug keere tusschen St. Jan en Maria de Meerdere. Op 26 april 1866 werd de icoon plechtig
naar de St.Alfonsuskerk op de Esquilyn overgebracht. Niet minder dan 50.000 bezoekers
zouden gedurende de drie-daagse oefening, die met de plechtigheden gepaard gingen, de
icoon van O.L.V. van Altijddurende Bijstand bezocht hebben.
Rechts van het altaar zien we de: Genezing van het lamme kind voor het altaar van O.L.V. in
St. Alphonsuskerk, 26 april 1866. De moeder droeg hare dochter voor het heilig beeld en badt
met een levend vertrouwen tot Maria. Nauwelijks heeft zij het treffend gebed uitgesproken of
het meisje staat op en begint zonder enige moeite te gaan tot groote verbazing van alle
aanwezigen.
Buiten de kapel rechts boven zien we uitgebeeld het: Onverwacht bezoek van Z.H. Pius IX in
de kerk van de H. Alphonsus bij O.L.V. van Altijddurende Bijstand op den 5e mei 1866. "O,
wat is zij schoon" zeide Z.H. Pius IX op een toon van kinderlijke liefde. Reeds een jaar na de
terugvinding van de icoon besloot het kapittel van St. Pieter om de Moeder van Altijddurende
Bijstand te kronen; een onderscheiding die alleen aan beelden en schilderijen te beurt valt, die
vanwege hun oudheid of wonderdanigheid grote bekendheid verworven hebben. Het
onderschrift der laatste afbeelding luidt: Kroning van O.L.Vr. door Z.H. Mgr. Matt. Patriarch
van Constantinopel en Deken van het Kapittel van St. Pieter, 23 Juni 1867 tot grootere eer en
glorie van God alsmede om de devotie tot O.L.Vr .van Altijddurende Bijstand te
vermeerderen boden de kapittelheeren een gouden kroon aan en vaardigden hunne deken af
om het wonderbeeld te kronen.
(bron: doctoraalscriptie C. Hoogveld)